Contact

maat76

 x

leerlingvolgsysteem

Een leerlingvolgsysteem en De Vreedzame School?

 

 Terug naar inleiding

Waarom geen leerlingvolgsysteem?
Hieronder gaan we in op de keuzes die we hebben gemaakt. Het ‘meten’ van sociale competenties is niet onomstreden. We noemen een paar knelpunten.

 

In de eerste plaats is er bij dit domein veel minder duidelijk sprake van leerlijnen. Het is niet eenvoudig om aan te geven wat een leerling eind groep 3, 4, 5, enzovoort, moet kunnen als het gaat om bijvoorbeeld ‘samenwerken’. Wat verwachten we van leerlingen? Mag een leerling ‘afwijken’ van de norm? Mag een leerling introvert en verlegen zijn, of willen we allemaal leerlingen die extravert zijn en makkelijk sociale contacten aangaan? Wat is de norm? De duidelijkheid van het leesonderwijs (eind groep 3 verwachten we dat alle leerlingen een bepaalde tekst in een bepaald tempo foutloos lezen) ontbreekt als het gaat om de sociale opbrengsten.

 

 

 terug wit

Het ‘meten’ van gedrag
Een belangrijk probleem bij het ‘meten’ van sociale competenties is ook dat we geen kennis meten, maar vaardigheden en houdingen. Hoe meet je vaardigheden en houdingen? Door leerlingen en/of leerkrachten een vragenlijst in te laten vullen? Het is maar zeer de vraag of daarmee iets van de werkelijkheid boven tafel komt. Hiermee worden hoogstens beoordelingen in kaart gebracht. En we weten dat beoordelingen per definitie subjectief zijn:
• Leerkrachten die een oordeel vellen over sociaal gedrag van leerlingen hebben

  daarvoor geen absolute norm, maar gaan uit van hun eigen norm. Of van het

  gemiddelde van de groep, waardoor hetzelfde gedrag in de ene groep heel

  anders wordt beoordeeld dan in de andere groep. Het gevolg is dat de ene   leerkracht

  dezelfde leerling heel anders beoordeelt dan de andere leerkracht.
• Een ander bekend verschijnsel is het ‘halo-effect’: een positief oordeel op een

  bepaald domein (bijvoorbeeld een goede lees- en rekenvaardigheid) kleurt de

  beoordeling in positieve zin van alle andere gedragingen van het betreffende

  kind.
• Bovendien speelt de situatie een rol in de beoordeling: een leerkracht die geen   orde heeft in de groep beoordeelt gedrag van kinderen in de groep negatiever

  dan nodig.

 

Gedrag kan, met andere woorden, niet los worden gezien van de omgeving waarin het optreedt.
Bovendien zijn dergelijke vaardigheden en houdingen moeilijk af te bakenen. Zo wordt in vrijwel elk leerlingvolgsysteem gepoogd categorieën te onderscheiden van elkaar. We weten echter uit onderzoek dat er onder dergelijke theoretische onderscheidingen in werkelijkheid vaak één en dezelfde factor onder ligt (namelijk die van ‘sociaal competent’ zijn, wat dat ook moge zijn).
Kortom: allerlei factoren veroorzaken ruis bij het ‘meten’ van sociale competentie en gedrag. Alle reden dus om heel voorzichtig te zijn met het toepassen van het denkkader van opbrengstgericht en handelingsgericht werken op dit domein. Om die reden is er bij De Vreedzame School uiteindelijk toch afgezien van een individueel leerlingvolgsysteem.
In plaats daarvan is een kwaliteitszorgsysteem ontwikkeld, waarmee scholen op groeps- en schoolniveau kunnen nagaan of de doelen van het programma worden gerealiseerd en waarmee de sociale veiligheid in de klas en in de school wordt gevolgd.

 

 

 

Koppeling leerlingvolgsystemen aan De Vreedzame School
Tegelijkertijd proberen de makers van de leerlingvolgsystemen hun klanten te bedienen met bijbehorende handelingssuggesties. Want waarom zou je proberen te meten als je er verder niets mee doet? Zo heeft ZIEN bijvoorbeeld bij hun volgsysteem een koppeling gelegd tussen de uitslagen van ZIEN en bestaande methodes op het gebied van de sociale competentie (zoals Kinderen en hun Sociale Talenten, Kanjertraining, e.d.).
De ontwikkelaars van leerlingvolgsystemen en een aantal scholen vragen geregeld of die koppeling ook niet gelegd kan worden met De Vreedzame School. ZIEN heeft een poging heeft gewaagd om verwijzingen te maken naar De Vreedzame School. Er wordt dan bijvoorbeeld een koppeling gelegd tussen een van hun zeven dimensies (bijvoorbeeld sociaal initiatief) en losse lessen (of lesonderdelen) van De Vreedzame School. Vanuit de gedachte dat het nog eens uitvoeren van een (deel van) een les uit het programma een remediërende werking zou hebben op het gedrag van de leerlingen.
Een dergelijke aanpak staat echter haaks op de uitgangspunten van De Vreedzame School. In de eerste plaats is De Vreedzame School niet louter een lesprogramma, maar is het een aanpak die probeert het schoolklimaat te beïnvloeden in de richting van een democratische gemeenschap. Daartoe zijn er lessen, maar er is veel meer: gemeenschapstaken, leerlingmediatoren, commissies, groepsvergaderingen, e.d.

 

Het opsommen van suggesties voor leerkrachten n.a.v. de uitslag van een afname van een volgsysteem gaat uit van een soort versimpeling: we meten sociale competenties bij kinderen; de scores vallen niet binnen een norm; dus gaan we iets extra’s doen om die kinderen of de groep ‘bij te spijkeren’. Zo’n simpel model gaat voorbij aan de complexiteit die eigen is aan dit domein.

 

 

 

Gedrag sterk bepaald door de omgeving
Gedrag wordt door zoveel verschillende factoren beïnvloed. Om er een paar te noemen:
• Gedrag en attitude van kinderen wordt in hoge mate bepaald door de context.

  Deel van die context is de leerkracht: de relatie tussen leerkracht en leerling.   Uit onderzoek blijkt een duidelijk verband tussen de kwaliteit van de relatie

  tussen leerkracht en leerlingen enerzijds en het sociaal functioneren en het   optreden van gedragsproblemen anderzijds.
• Probleemgedrag van kinderen blijkt ook sterk samen te hangen met de sociale   verbondenheid: onderzoek laat zien dat ‘connectedness’ (sociale

  verbondenheid) met de school en de leerkracht  een  sterke beschermende

  factor is in het voorkomen van probleemgedrag.
• De rol van de groep en de groepsgenoten: gedrag van kinderen kan niet los

  gezien kan worden van de omgeving. Gedrag van kinderen ontwikkelt zich in

  voortdurende wisselwerking met die omgeving. Kinderen vragen zich

  voortdurend af: wat wordt er van mij in deze omgeving verwacht? Wat is de

  sociale norm? Die blijkt zeer voorspellende te zijn voor het optreden van

  gedrag.

 

En zo zouden we nog wel een aantal factoren kunnen benoemen die het optreden van (probleem)gedrag veroorzaken of in stand houden. De aanpak bij gedragsproblemen kan dan ook niet zonder een analyse: hoe komt het dat deze kinderen opvallen? Daarbij kunnen dus bijvoorbeeld bovenstaande factoren een rol spelen (relatie met de leerkracht, verbinding met de groep, e.d.), maar ook het aanbod: is het reguliere aanbod van De Vreedzame School wel goed uitgevoerd?

 

 

 Terug naar inleiding

Dus ….. een simpele koppeling van het programma van De Vreedzame School naar de uitslag op welk leerlingvolgsysteem dan ook, schiet wat ons betreft tekort. We willen wel graag scholen helpen bij hun vraag hoe om te gaan met ongewenst gedrag van kinderen. Daartoe is juli 2014 een boek verschenen over de aanpak van ongewenst gedrag passend bij de principes van De Vreedzame School: Van gedragsregulering naar opvoeding - SWP Uitgevers. Daarin geven we leerkrachten en scholen handreikingen om gedrag op een positieve wijze te beïnvloeden en om ongewenst gedrag te doen verminderen.

 

Daarnaast is er dus het Kwaliteitszorginstrument waarmee scholen een monitor in handen krijgen om na te gaan of ze de doelen van het programma in voldoende mate bereiken. Op grond van dat kwaliteitssysteem is het mogelijk om op groep- en schoolniveau doelgericht te werken aan gedrag. Want laat er geen misverstand over bestaan: het is uiteraard zinvol als scholen en leerkrachten heldere doelen hebben en nagaan of ze die doelen bereiken.

 

gedragsregulering